De wijze waarop een onderneming zijn bewijsvoering kan organiseren ziet er vanaf 1 november 2018 een stuk moderner uit. Weten hoe iets kan bewezen worden en zich daarvoor op voorhand wapenen is belangrijk want dat kan het verschil uitmaken tussen gelijk hebben en gelijk krijgen.

Op 1 november 2018 trad een eerste hervorming in werking want dan voert de Wet "Hervorming Ondernemingsrecht" een artikel 1348bis, "Bewijs door en tegen ondernemingen" in het Burgerlijk Wetboek in.

En daar blijft het niet bij. Op oktober 2018 keurde de Ministerraad in tweede lezing een voorontwerp van wet goed dat een bijzonder hoofdstuk, namelijk Boek 8 "Bewijs", in het  Burgerlijk Wetboek invoert.

Dat nieuwe Boek 8 bevat zowel het burgerrechtelijke als het commerciële bewijsrecht.

Hierna volgen de belangrijkste elementen van het nieuwe artikel 1384bis van het Burgerlijk Wetboek.

1. Elke onderneming kan bewijs leveren door alle middelen van recht

Vanaf 1 november 2018 kan elke onderneming bewijs leveren door alle middelen van recht, tenzij anders voorzien is door de wet.

De Wet "Hervorming Ondernemingsrecht" voorziet ook in een bredere definitie van een onderneming.

Een onderneming is iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, iedere rechtspersoon en iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid tenzij deze geen winstuitkering doet en dat ook niet beoogt te doen.

Zijn dus ondernemingen :

  • zaakvoerders, bestuurders en beoefenaars van een vrij beroep;
  • verenigingen en stichtingen, zelfs indien zij geen economisch doel nastreven. Publiekrechtelijke rechtspersonen, net als de Staat en zijn gedecentraliseerde diensten zijn uitgesloten;
  • Maatschappen. Feitelijke verenigingen zijn geen ondernemingen, zoals gedefinieerd door de wet.

Elke onderneming is dus onderworpen aan het stelsel van de vrije bewijsvoering, door alle middelen van het handelsrecht, met inbegrip van getuigen en vermoedens.

Dit betekent dat ook beroep kan gedaan worden op 'alle hedendaagse bewijsmiddelen van de digitale maatschappij', zoals e-mails, tekstberichten, enzovoort. Er moeten evenwel bepaalde vormvereisten in acht genomen worden die wettelijk worden voorzien.

Deze vrije bewijsvoering geldt enkel tegenover een andere onderneming en niet tegen een verweerder die geen onderneming is. In dat geval moeten de bewijsregels van het burgerlijk recht gevolgd worden.

2. En wat met de boekhouding en de factuur als bewijsmiddel?

De vereiste dat een boekhouding 'regelmatig' gevoerd moet worden, wordt geschrapt. Hierdoor kan ook een onregelmatig gevoerde boekhouding als bewijs dienen tussen of tegen ondernemingen.

Het is aan de rechter om te beslissen of hij een boekhouding aanvaardt als bewijsmiddel.

Hij kan openlegging bevelen van het geheel of een gedeelte van de boekhouding en daarbij vertrouwelijkheidsmaatregelen opleggen.

Een factuur die door de onderneming aanvaard is, levert vanaf 1 november 2018 bewijs op tegen deze onderneming. Ondernemingen die een factuur ontvangen die ze betwisten, hebben er dus alle belang bij deze factuur zo snel mogelijk te protesteren.

3. De komende hervormingen in het bewijsrecht in het nieuw Burgerlijk Wetboek

De belangrijkste hervorming betreft de verhoging van het plafond voor de vereiste van schriftelijk bewijs van 375 EUR naar 5.000 EUR.

Met andere woorden zal er geen schriftelijk bewijs nodig zijn voor betwistingen met een waarde tot 5.000 EUR.

Voor veel courante verrichtingen zal dan gebruik gemaakt kunnen worden van het vrije bewijsstelsel en zal bijvoorbeeld een mail of tekstbericht volstaan als bindend akkoord.

Indien u hieromtrent vragen hebt of bijstand wenst, aarzel niet ons te contacteren.

Leo Peeters - Alain De Jonge