Het insolventierecht hervormd (Deel III): aansprakelijkheid van bestuurders bij faillissement 

27.06.2018

Insolventierecht bestuurder faillissement kennelijk grove fout wrongful trading een reddeloze onderneming verder zetten
In het kader van de hervorming van het insolventierecht die op 1 mei 2018 van kracht is geworden, heeft de wetgever een aantal belangrijke wijzigingen doorgevoerd inzake de aansprakelijkheid van bestuurders bij een faillissement. De herziene aansprakelijkheidsregels gelden voor bestuurders van vennootschappen en niet voor natuurlijke personen die ondernemingen zijn maar geen vennootschapsstructuur hebben. 

1. Aansprakelijkheidsvordering wegens kennelijk grove fout 

De aansprakelijkheid van de bestuurders was vroeger ondergebracht in het wetboek van vennootschappen maar wordt nu gedeeltelijk naar Boek XX van het Wetboek van Economisch Recht overgeheveld, in zoverre deze betrekking heeft op kennelijke grove fouten die hebben bijgedragen tot een faillissement. 

Indien bij faillissement van een onderneming, de schulden de baten overtreffen, riskeren de bestuurders ervan persoonlijk en al dan niet hoofdelijk aansprakelijk te worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de onderneming ten belope van het tekort, indien komt vast te staan dat een kennelijk grove fout die zij hebben begaan, heeft bijgedragen tot het faillissement.

Met "bestuurders" wordt hier bedoeld de huidige of gewezen bestuurders, zaakvoerders, dagelijks bestuurders, leden van een directieraad of van een raad van toezicht, alsmede alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad (i.e. tijdens de periode die is begonnen voor het faillissement, maar niet noodzakelijkerwijze duurt tot op de dag van het faillissement).

De wet omschrijft de kennelijke grove fout als “iedere vorm van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, in de zin van artikel 5, § 3, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld”.
 
Deze algemene aansprakelijkheidsregel geldt voortaan voor alle vennootschapsvormen, in tegenstelling tot de oude regeling waar de aansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout enkel gold voor bestuurders van een BVBA, een CVBA en een NV. 

Kleine ondernemingen (met omzet lager dan 620.000,00 EUR excl. BTW), verenigingen (vzw’s en ivzw’s) en stichtingen met een vereenvoudigde boekhouding worden uitgesloten van de toepassing van deze regel.

De aansprakelijkheidsvordering wegens kennelijk grove fout kan ingesteld worden door de curator of elke benadeelde schuldeiser. Deze laatste kan deze vordering evenwel alleen instellen indien de curator de vordering zelf niet instelt binnen een maand na hiertoe door de benadeelde schuldeiser te zijn aangemaand.

Indien de persoon die hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld wegens kennelijk grove fout een vrije beroeper is, wordt tevens het tuchtorgaan in kennis gesteld van de vordering. 

2. Objectieve aansprakelijkheid voor RSZ-schulden 

De objectieve aansprakelijkheid voor RSZ-schulden geldt tevens van nu af aan voor alle ondernemingen, ongeacht hun rechtsvorm.

Aldus kunnen bestuurders (zie definitie in punt 1) op vordering van de RSZ of van de curator persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van alle sociale bijdragen die op het ogenblik van de uitspraak van het faillissement verschuldigd zijn, en zulks :

  • indien zij in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring, betrokken zijn geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen van ondernemingen waarbij de sociale zekerheidsbijdragen onbetaald zijn gebleven,
  • voor zover zij bij die eerder failliet verklaarde of vereffende ondernemingen ten tijde van de faillietverklaring, ontbinding of aanvang van de vereffening tevens een bestuurdersfunctie hebben gehad. 

3. “Wrongful trading” – De nieuwe aansprakelijkheidsgrond

Deze aansprakelijkheidsvordering werd ingevoerd naar aanleiding van rechtspraak met betrekking tot (feitelijke) bestuurders die een reddeloze onderneming verder zetten.

Deze nieuwe bijzondere aansprakelijkheidsgrond bepaalt dat een bestuurder ingeval van faillissement van een onderneming, persoonlijk en al dan niet hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de onderneming indien:

  • de betrokken persoon op een gegeven ogenblik voorafgaand aan het faillissement, wist of behoorde te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht was om de onderneming of haar activiteiten te behouden en een faillissement te vermijden;
  • de betrokken persoon op dat ogenblik de hoedanigheid had van huidige of gewezen bestuurder, zaakvoerder, dagelijks bestuurder, lid van een directieraad of van een raad van toezicht, of ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid heeft gehad; en
  • de betrokken persoon vanaf het ogenblik wanneer hij wist of behoorde te weten, niet heeft gehandeld zoals een normaal voorzichtig en zorgvuldig bestuurder in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld.

De aansprakelijkheidsvordering wegens “wrongful trading” is exclusief voorbehouden aan de curator.

4. Besluit

De hierboven beschreven aansprakelijkheidsregeling betreft een specifieke regeling die door het insolventierecht voorzien wordt ingeval er zich een faillissement voordoet.

Bestuurders van een onderneming zijn eveneens onderworpen aan de algemene aansprakelijkheidsregeling van bestuurders van een vennootschap of vereniging, die voorzien wordt in het Wetboek van vennootschappen en eveneens herzien wordt.

De vorige delen van deze reeks over het hervormde insolventierecht kan u consulteren door te klikken op :

Leila Mstoian - Leo Peeters