Het insolventierecht hervormd (Deel II): De procedure tot gerechtelijke reorganisatie wordt strenger 

16.05.2018

Insolventierecht gerechtelijke reorganisatie Continuïteit van ondernemingen WCO faillissement Boek XX WER insolventie schuldeiser schuldenaar

Op 1 mei 2018 is de nieuwe insolventiewetgeving in werking getreden. De Wet Continuïteit Ondernemingen (WCO) is als aparte wet opgeheven wordt onder gewijzigde vorm volledig geïntegreerd in Boek XX WER. 

In Deel I van deze reeks werd de wijziging van het insolventierecht in het algemeen toegelicht.  

In deze bijdrage (Deel II) worden de belangrijkste wijzigingen inzake de procedure tot gerechtelijke reorganisatie besproken. 

In het algemeen worden de hoofdprincipes van de WCO behouden.

De schuldenaar  die voldoet aan de voorwaarden kan nog steeds opteren voor

  • (i) een gerechtelijke reorganisatie door middel van een minnelijk akkoord,
  • (ii) een gerechtelijke reorganisatie door middel van een collectief akkoord of
  • (iii) een gerechtelijke reorganisatie door middel van een overdracht onder gerechtelijk gezag. 

De wetgever heeft evenwel een aantal punten gespecifieerd en verhelderd om tegemoet te komen aan bestaande knelpunten en lacunes in de WCO. De procedure tot gerechtelijke reorganisatie wordt strenger. 

1. Het verzoekschrift en de stukken die moeten neergelegd worden

Bij het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie moet een staat van activa en passiva worden toegevoegd. Voortaan moet deze staat van activa opgesteld worden met bijstand van een externe accountant of bedrijfsrevisor, daar waar vroeger dezelfde staat van activa en passiva slechts onder hun "toezicht" moest worden opgesteld. 

De rol van de externe accountant of bedrijfsrevisor wordt belangrijker. Volgens de wetgever moet de externe accountant of bedrijfsrevisor het vertrouwen van de rechtbank in de voorgelegde cijfers versterken. Dit betekent dat de bijstand die hij levert niet louter een samenstellingsopdracht is maar eerder een opdracht, die beschouwd kan worden als een objectiveringsopdracht waarbij de externe accountant of bedrijfsrevisor onder meer uitleg verschaft over de voornaamste objectiveringen die hij heeft uitgevoerd en verklaart dat hij geen opmerkingen heeft te formuleren of in voorkomend geval, uitleg verschaft in geval van afwijkingen in de cijfers van de onderneming. Zijn bijstand mag evenwel niet van die aard zijn dat hij de onderneming overmatig belast. 

De schuldenaar, die een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid is of een rechtspersoon waarvan de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn, moet eveneens een lijst van de vennoten bij het verzoekschrift voegen alsook het bewijs dat deze werden ingelicht over de procedure. 

Wanneer de schuldenaar een schorsing van de uitvoering van een onroerend beslag vordert, dient hij tevens een kopie van de gerechtsdeurwaardersexploten bij het verzoekschrift te voegen.  

2. Gevolgen van de neerlegging van het verzoekschrift

De bestaande regeling blijft bestaan, maar één van de meest opvallende wijzigingen van de Insolventiewet is de inperking van de schorsende werking van het verzoekschrift en de eventuele beslagprocedure(s) waarbij de schuldenaar is betrokken.

Zo kan een openbare verkoop (na beslag) doorgaan wanneer de verkoopdag reeds bepaald is en wanneer deze valt binnen een termijn van 2 maanden na de neerlegging van het verzoekschrift. De rechtbank kan evenwel de schorsing van de verkoop bevelen indien de schuldenaar hierom verzoekt in het verzoekschrift. Dit verzoek werkt echter niet schorsend. Dus, daar waar men vroeger nog daags voor de verkoop een verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie kon neerleggen en zodoende een dreigende verkoop kon opschorten, is dit nu niet meer mogelijk. De schorsende werking wordt door de nieuwe regelgeving ingeperkt om misbruiken te vermijden. 

Het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie heeft evenmin een schorsende werking indien de schuldenaar meer dan 6 maanden voordien reeds de opening van een procedure tot gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd, tenzij de rechtbank gemotiveerd anders beslist. 

3. Gevolgen van de opening van de procedure tot gerechtelijke reorganisatie

3.1 Zekerheden

De beginselen met betrekking tot de bescherming van de schuldenaar tegen zijn schuldeisers blijven onveranderd mits een aantal specificaties. 

De wet stelt nu uitdrukkelijk dat de schuldenaar tijdens de periode van opschorting een wettelijke of een conventionele zekerheid kan vestigen. De opschorting zal ook geen weerslag hebben op het pand wanneer een pandovereenkomst gesloten werd tussen de pandhoudende schuldeiser en de schuldenaar die specifiek betrekking heeft op de actuele of toekomstige schuldvorderingen van de schuldenaar.

Zo zal bijvoorbeeld het pand van een bank niet worden beïnvloed door de opschorting, indien het betrekking heeft op de schuldvorderingen van de schuldenaar – die fluctuerend van aard zijn – ten aanzien van diens klanten in het kader van de commerciële activiteiten. Een pand op een handelsfonds, een landbouwexploitatie of op een algemeenheid van goederen die schuldvorderingen omvat, is geen pand dat specifiek betrekking heeft op de (toekomstige) schuldvorderingen. 

3.2 De fiscale en sociale vorderingen 

Sinds het ontstaan van de WCO, hebben de fiscus en de RSZ er zo goed als alles aan gedaan om een "bevoorrechte" positie te bekomen tijdens de procedure tot gerechtelijke reorganisatie. Na tegenstrijdige arresten van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof, stelt de wetgever een einde aan de betwistingen en de verschillende opvattingen in de rechtspraak.

Fiscale en sociaalrechtelijke heffingen, bijdragen of schulden in hoofdsom moeten in een vereffening of faillissement die volgt op het starten van de procedure tot gerechtelijke reorganisatie beschouwd worden als boedelschulden. Boedelschulden worden in een vereffening of faillissement bij voorrang betaald en zijn niet aan de samenloop onderworpen. Dit geldt echter niet voor de accessoria van de sociale en fiscale schulden.

Met deze bepaling neemt de wetgever een merkwaardige wending in het debat aangezien het Hof van Cassatie besliste dat deze schuldvorderingen geen boedelschulden vormen in een navolgend faillissement. Nog opvallender is dat de wetgever in het eerste wetsontwerp de rechtspraak van het Hof van Cassatie volgde maar er dan uiteindelijk anders over heeft beslist. 

3.3 Wijziging van een procedure

De principes met betrekking tot de wijziging van procedure blijven behouden, doch de schuldenaar kan de procedure nu veranderen in alle richtingen en op elk moment.

Met andere woorden kan de schuldenaar een gerechtelijke reorganisatie door middel van een minnelijk akkoord wijzigen in een gerechtelijke reorganisatie door middel van een collectief akkoord of in een gerechtelijke reorganisatie door middel van een overdracht onder gerechtelijk gezag, of andersom, zonder een volgorde te volgen, zoals dit tot nu was. 

4. Het gerechtelijk minnelijk akkoord 

Het doel van een gerechtelijk minnelijk akkoord blijft hetzelfde, met name het afsluiten van een akkoord met alle, twee of meer schuldeisers. Met “alle” schuldeisers wordt ook bedoeld één schuldeiser wanneer deze de enige schuldeiser is. 

Het minnelijk akkoord wordt door de rechtbank gehomologeerd en uitvoerbaar verklaard. Voorts wordt de homologatie toegekend, niet voor een of andere schuldvordering, maar wel voor het geheel. De rechtbank kan op het bereikte akkoord de marginale toetsing van de openbare orde uitoefenen, in die zin dat wat zou indruisen tegen de essentiële beginselen van de Rechtsstaat niet moet bekrachtigd worden. De beslissing die de procedure beëindigt, wordt ook bekend gemaakt. 

De gevolgen van het minnelijk akkoord komen ook ten goede aan de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid (kosteloze borg) heeft gesteld voor de schuldenaar en wiens verzoek werd ingewilligd.

5. Het gerechtelijk collectief akkoord

5.1 De definities van "buitengewone schuldvordering in opschorting" en "schuldeiser-eigenaar" worden gewijzigd

De definitie van "buitengewone schuldvorderingen in de opschorting" wordt gewijzigd.

De wet verduidelijkt dat de schuldvorderingen in de opschorting op het ogenblik van de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, die door een zakelijke zekerheid gewaarborgd zijn, en de schuldvorderingen van de schuldeisers-eigenaars, slechts buitengewoon zijn :

  • (i) ten belope van het bedrag waarvoor, op de dag van de opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, een inschrijving of registratie is genomen, of
  • (ii) ten belope van de realisatiewaarde in going concern van het goed, wanneer geen inschrijving of registratie is genomen, of
  • (iii) indien het onderpand betrekking heeft op specifieke verpande schuldvorderingen, de boekhoudkundige waarde (deze laatste omschreven beperking is slechts van toepassing met het oog op de uitwerking en stemming van het reorganisatieplan). 

Indien een schuldeiser verschillende schuldvorderingen heeft tegen de schuldenaar en het bedrag van de totale schuldvordering hoger is dan het bedrag waarvoor inschrijving of registratie is genomen, kan deze zelf bepalen welke schuldvordering of welk deel van de schuldvordering geniet van het statuut van buitengewone schuldvordering. Bij gebreke aan een keuze door de schuldeiser, gebeurt de opdeling tussen gewone en buitengewone schuldvordering proportioneel. Indien er geen akkoord is tussen de schuldeiser en de schuldenaar over de realisatiewaarde in "going concern" kan de rechtbank dit bepalen en desgevallend een expert aanstellen.

Ook de definitie "schuldeiser-eigenaar" wordt aangepast. De schuldeiser-eigenaar is de schuldeiser die tot zekerheid van zijn schuldvordering eigenaar is van goederen in handen van de schuldenaar, op de dag van de opening van een insolventieprocedure. Een "schuldeiser-eigenaar" kan onder meer een houder zijn van een beding van eigendomsvoorbehoud of iemand die een fiduciaire overdracht geniet. Deze moet worden beschouwd als een pandhoudende schuldeiser en is een buitengewone schuldeiser in de opschorting. 

5.2  De kennisgeving aan schuldeisers en de reactie van schuldeisers moeten sneller gebeuren

De schuldeisers in de opschorting moeten binnen een termijn van 8 dagen individueel in kennis worden gesteld van de opening van de procedure tot gerechtelijke reorganisatie. Anderzijds, dienen de schuldeisers die het bedrag of de hoedanigheid van hun schuldvordering voor de rechtbank wensen te betwisten zulks te doen ten laatste 1 maand voor de datum van de zitting waarop het reorganisatieplan gestemd zal worden. Dit betekent dat ook schuldeisers sneller zullen moeten reageren. 

5.3 Reorganisatieplan

De wet bepaalt dat vanaf nu af aan het minimumbedrag dat aan de schuldeisers moet toekomen niet minder dan 20% van het bedrag van de schuldvordering in hoofdsom mag bedragen in plaats van 15%. Het reorganisatieplan kan voorzien in een maatregel voor de verzaking aan de interesten, verhogingen, boeten en kosten of de herschikking van de betaling ervan, alsook in de prioritaire aanrekening van betalingen op de hoofdsom van de schuldvordering. 

Het reorganisatieplan kan niet voorzien in :

  • (i) een vermindering of kwijtschelding van schuldvorderingen in de opschorting ontstaan uit arbeidsprestaties met uitsluiting van de fiscale of sociale bijdragen of schulden;
  • (ii) een vermindering van de onderhoudsschulden, noch van de schulden die voor de schuldenaar voortvloeien uit de verplichting tot herstel van de schade, die veroorzaakt is door zijn schuld en  verbonden is aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon en
  • (iii) een vermindering of kwijtschelding van strafrechtelijke boeten.

6. Overdracht onder gerechtelijk gezag

De oude regeling voorzag niet in de mogelijkheid voor de bieder om bepaalde lopende overeenkomsten, die essentieel zijn voor de continuïteit van de onderneming, over te nemen. De afwezigheid van een dergelijke regeling zette een rem op de overdracht van ondernemingen in continuïteit.

Om hieraan tegemoet te komen, voorziet de nieuwe wet dat de bieder één of meer lopende overeenkomsten kan aanwijzen die hij integraal wenst over te nemen indien zijn offerte wordt aanvaard; in dat geval is hij verplicht om de totaliteit van de uitstaande schulden over te nemen.

Deze mogelijkheid wordt uitgesloten voor intuitu personae overeenkomsten. Ook de schuldeisers worden hierdoor niet benadeeld, aangezien de uitstaande schulden geen onderdeel mogen uitmaken van de geboden prijs.

Voor wat betreft de gerechtsmandataris, worden de regels inzake verkoop verder gepreciseerd. Ook de regels over de  erelonen worden gepreciseerd in de nieuwe wet. 

Leila Mstoian - Leo Peeters