Het WVV voor u toegelicht - Deel 2.1 - De BV (Besloten Vennootschap) – Oprichting 

16.05.2019

Vennootschapsrecht en M&A BV Besloten Vennootschap vennootschap zonder kapitaal Inbreng van nijverheid oprichtersaansprakelijkheid

De besloten vennootschap (BV, in het Frans "société à responsabilité limitée" of afgekort "SRL") wordt de vennootschapsvorm bij uitstek en is gekenmerkt door zijn flexibiliteit. Partijen zijn vrij om bepaalde contractuele afspraken te maken en het nieuwe WVV (Wetboek vannootschappen en Vereneigingen) voorziet in algemene regels om op terug te vallen.

In deze eerste bijdrage gaan we in op de manier waarop de BV opgericht wordt, hoe het aanvangsvermogen wordt samengesteld en alle verplichtingen daar omheen, en de oprichtersaansprakelijkheid die daaruit volgt.

1. Een vennootschap zonder kapitaal

De besloten vennootschap is voortaan een vennootschap zonder kapitaal waarin de aandeelhouders slechts inbreng verbinden.

Het kapitaalbegrip verdwijnt en dus ook de minimum kapitaalvereisten zoals we deze vandaag kennen. Het wordt vervangen door het aanvangsvermogen.

Eventuele uitkeringen worden, ingevolge het verdwijnen van het kapitaalbegrip (en dus ook het minimumkapitaal), onderworpen aan een balanstest (nettoactieftest) en liquiditeitstest. Wij komen hier op detail in terug in één van onze volgende artikels.

De oprichters moeten erop toe zien dat de besloten vennootschap bij de oprichting over een eigen vermogen beschikt dat, mede gelet op de andere financieringsbronnen, toereikend is in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid.

In principe wordt het aldus mogelijk om een BV op te richten met een zeer bescheiden inbreng (1 EUR), met dien verstande dat er voorzien wordt in een stevige financiële basis. Zo niet, komt de aansprakelijkheid van de oprichters in het gedrang.

In dat opzicht krijgt het financieel plan een belangrijke functie.

De oprichters moeten een financieel plan opstellen en aan de  notaris overmaken. Daarin verantwoorden zij het bedrag van het aanvangsvermogen in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid van de vennootschap, en dit over een periode van ten minste 2 jaar.

Het financieel plan moet daarbij, zoals heden het geval is bij de oprichting van de Starters-bvba, minstens volgende zaken bevatten:

  • een nauwkeurige beschrijving van de voorgenomen bedrijvigheid;
  • een overzicht van alle financieringsbronnen bij oprichting;
  • een openingsbalans;
  • een geprojecteerde resultatenrekening na twaalf en vierentwintig maanden;
  • een begroting van de verwachte inkomsten en uitgaven voor een periode van minstens twee jaar;
  • een beschrijving van de gehanteerde hypotheses bij de schatting van de verwachte omzet en de verwachte rentabiliteit;
  • in voorkomende geval (want niet verplicht), de naam van de externe deskundige die bijstand heeft verleend bij de opmaak van het financieel plan.

2. Inbreng van nijverheid wordt mogelijk

Naast de reeds gekende inbreng in natura en inbreng in geld wordt ook een inbreng van nijverheid (arbeid) mogelijk. De inbreng in nijverheid houdt een verbintenis in om arbeid en diensten te presteren.

Tenzij anders is overeengekomen is de schuldenaar van een inbreng in nijverheid aan de vennootschap rekenschap verschuldigd van alle winsten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de activiteit die hij heeft ingebracht.

Hij mag voor de volledige duur van zijn inbreng de vennootschap niet rechtstreeks of onrechtstreeks beconcurreren, noch enige activiteit ontwikkelen die de vennootschap nadeel zou kunnen toebrengen of de waarde van zijn inbreng zou kunnen verminderen.

De procedure inzake de quasi-inbreng is niet meer terug te vinden in het nieuwe WVV. De wetgever is van oordeel dat de regels inzake belangenconflicten hier de nodige garantie zullen bieden.

3. Oprichtersaansprakelijkheid enkel voor oprichters

Zij die bij de oprichtingsakte verschijnen worden als oprichters van de vennootschap beschouwd.

Indien evenwel de akte één of meer aandeelhouders als oprichter aanwijst, en deze  samen ten minstens een derde van de aandelen bezitten, dan kunnen de overige personen die bij de oprichting verschijnen als gewone inschrijvers beschouwd worden.

Deze gewone inschrijvers moeten op hun beurt aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • zich beperken tot de inschrijving op aandelen tegen een inbreng in geld;
  • geen enkel  rechtstreeks of zijdelings bijzonder voordeel genieten.

Dit is belangrijk want de oprichters zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap, in geval een faillissement uitgesproken wordt binnen drie jaar nadat de vennootschap rechtspersoonlijkheid verkreeg en het aanvangsvermogen bij de oprichting kennelijk ontoereikend was voor de normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over ten minste twee jaar.

De oprichtersaansprakelijkheid blijft aldus behouden maar voortaan moet rekening gehouden worden met het feit dat

(1) onder bepaalde voorwaarden niet iedereen die verschijnt bij de oprichting van de vennootschap als oprichter kan worden gekwalificeerd, en dan als gewone inschrijver wordt beschouwd die geen oprichtersaanprakelijkheid heeft, en

(2) het ontoereikend kapitaal wordt vervangen door het kennelijk ontoereikend aanvangsvermogen.

4. Nieuwe terminologie

Waar er vroeger nog een onderscheid werd gemaakt tussen vennoten in een BVBA en aandeelhouders in een NV, wordt onder het nieuwe WVV gekozen voor de algemene term aandeelhouder (ongeacht de vennootschapsvorm). Ook de term zaakvoerder in de BVBA wordt vervangen door bestuurder in de BV.

Een besloten vennootschap kan daarenboven alle effecten uitgeven die niet door of krachtens de wet zijn verboden (en zelf beursgenoteerd zijn).

Op de verschillende soorten effecten en de overdracht van deze effecten binnen de BV wordt in een volgend artikel dieper ingegaan.

Toon Rummens - Maxiem Devos