Onlangs werd de vijfde antiwitwasrichtlijn gepubliceerd die opnieuw een aantal wijzigingen aanbrengt aan de wetgeving in deze materie.

Zoals we reeds eerder meldden, moet de werkwijze van het register van de uiteindelijk begunstigden (« UBO register ») dat ingevoerd werd door de vierde antiwitwasrichtlijn van 20 mei 2015, nog voorzien worden door een Koninklijk besluit. Ondertussen hebben de Raad en het EU-Parlement op 30 mei 2018 een vijfde richtlijn aangenomen die een reeks nieuwe regels en wijzigingen aan de vierde antiwitwasrichtlijn aanbrengt. 

Hieronder gaan we summier in op deze wijzigingen. 

1. Het toepassingsgebied van de wet wordt uitgebreid 

De lijst van de meldingsplichtige entiteiten van de vierde antiwitwasrichtlijn ondergaat enkele toevoegingen. 

Naast de auditors, externe accountants en belastingadviseurs, richt de richtlijn zich nu tot een bredere restcategorie, namelijk naar "iedere persoon die zich ertoe verbindt als voornaamste bedrijfs- of beroepsactiviteit, rechtstreeks of via andere met hem gelieerde personen materiële hulp, bijstand of advies op belastinggebied te verlenen". 

De richtlijn is voortaan dus ook toepasselijk op vastgoedmakelaars, ook wanneer zij optreden als tussenpersoon bij de verhuur van onroerende goederen, maar alleen met betrekking tot transacties waarvoor de maandelijkse huurprijs 10.000 € of meer bedraagt.

Ook de volgende meldingsplichtige entiteiten worden toegevoegd: 

  • aanbieders van diensten met betrekking tot wisseltransacties tussen virtuele en fiduciaire valuta;
  • aanbieders van bewaarportefeuilles;
  • kunsthandelaars of tussenpersonen in de sector van de kunsthandel, dus ook kunstgalerijen en veilinghuizen, indien de waarde van de transactie of een reeks van onderling samenhangende transacties 10.000 € of meer bedraagt; 

2. Het UBO-register 

In de nieuwe richtlijn wordt het onderscheid behouden van de toegang tot essentiële informatie over uiteindelijk begunstigden tussen  juridische entiteiten (ondernemingen) actief in de EU enerzijds en de trusts en vergelijkbare structuren anderzijds.

2.1. De ondernemingen actief in de EU 

Het Koninklijk besluit inzake de werkwijze van het UBO-register is momenteel in de redactionele eindfase en zou moeten gepubliceerd worden en in werking treden in de loop van het 3de trimester van dit jaar. Maar de vijfde richtlijn brengt nu al nieuwe elementen aan waarmee de Belgische wetgever rekening zal moeten houden. 

De richtlijn voorziet in een verplichting tot samenwerking voor de uiteindelijk begunstigden. De uiteindelijk begunstigden van vennootschappen en juridische entiteiten - onder meer omdat ze houder zijn van aandelen, eigendomsbelangen, toonderaandelen, of omdat zij zeggenschap hebben omwille van andere middelen - moeten deze vennootschappen of juridische entiteiten alle informatie verstrekken die deze nodig hebben om aan hun informatievereisten te voldoen.

Toegang tot deze categorie informatie over de uiteindelijk begunstigden wordt toegankelijk voor iedereen, zonder dat een legitiem belang moet aangetoond worden.

Bovendien wordt uitdrukkelijk bepaald dat belastingautoriteiten beschouwd worden als "bevoegde autoriteiten die toegang krijgen tot het centraal register". De wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie voorziet evenwel al dat de administratie het UBO-register, met betrekking tot een vastgestelde belastingplichtige, zal kunnen raadplegen, om de belastinginning zeker te stellen. 

De vijfde richtlijn voorziet een aantal deadlines voor de deelstaten.

Ze hebben tot 10 januari 2020 de tijd om registers van uiteindelijk begunstigden van vennootschappen en andere juridische entiteiten tot stand te brengen.

De Commissie op haar beurt zal uiterlijk op 10 maart 2021, in medewerking met de deelstaten, de centrale registers moeten koppelen via het Europees centraal platform.

In het kader van de Europese samenwerking in deze materie, mag de uitwisseling van informatie of bijstand tussen de bevoegde autoriteiten niet door de lidstaten verboden of aan onredelijke of uitermate restrictieve voorwaarden onderworpen worden. De richtlijn voorziet uitdrukkelijk in een aantal weigeringsgronden die bevoegde autoriteiten niet zullen kunnen inroepen om een weigering van verzoek tot bijstand te rechtvaardigen. Motieven zoals "het verzoek wordt geacht ook betrekking te hebben op belastingaangelegenheden" of "een onderzoek of procedure loopt in de aangezochte lidstaat" zijn dus niet voldoende om een verzoek tot bijstand van de bevoegde autoriteit van een andere deelstaat te verwerpen. Dit zal ongetwijfeld de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en, laten we hopen, ook de transparantie bevorderen. 

2.2. Trusts en soortgelijke juridische constructies 

De vijfde richtlijn werkt de bepalingen van de vierde richtlijn betreffende de trusts verder uit.   

De informatieplicht betreffende de uiteindelijk begunstigden geldt ook voor de trusts en soortgelijke constructies. De vijfde richtlijn specificeert tevens dat deze soortgelijke constructies onder meer een "fiducie, of bepaalde soorten Treuhand of fideicomiso" kunnen zijn, wanneer die een soortgelijke structuur of soortgelijke functies als trusts hebben. 

Toegang tot deze categorie van informatie is slechts mogelijk voor de personen die een legitiem belang kunnen aantonen en kan ook onderworpen worden aan een vergoeding en een verplichte online registratie.

Met het oog op het behoud van de rechtszekerheid en gelijke voorwaarden voor iedereen, moeten de lidstaten de kenmerken van dergelijke juridische constructies identificeren en toetsen aan hun wetgeving om te bepalen of deze een soortgelijke structuur of soortgelijke functies hebben als trusts. Het doel is te voorkomen dat trusts en soortgelijke constructies worden gebruikt voor het witwassen van geld, terrorismefinanciering of daarmee verband houdende basisdelicten. 

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat trustees of personen die vergelijkbare posities bekleden in soortgelijke juridische constructies, hun status bekendmaken aan de meldingsplichtige entiteiten en de informatie snel verstrekken wanneer zij in de hoedanigheid van trustee of persoon met een vergelijkbare positie in het kader van een soortgelijke juridische constructie een zakelijke relatie of een occasionele transactie aangaan boven de drempels die vastgesteld werden door de vierde richtlijn. De informatie die dan moet verstrekt worden betreft de identiteit van de oprichter(s), de trustee(s), de protector(s), de begunstigden of groep van begunstigden, en elke andere natuurlijke persoon die effectief zeggenschap uitoefent over de trust.

De informatie over de uiteindelijk begunstigde van express trusts en soortgelijke juridische constructies moet bijgehouden worden in een centraal register van uiteindelijk begunstigden dat is opgezet door de lidstaat waar de trustee van de trust of de persoon die een vergelijkbare positie bekleedt in het kader van een soortgelijke juridische constructie gevestigd of woonachtig is. 

De lidstaten moeten dan ook uiterlijk op 10 januari 2020 de registers van uiteindelijk begunstigden van de trusts en soortgelijke juridische constructies invoeren.

De Commissie op haar beurt moet uiterlijk op 10 maart 2021 in samenwerking met de lidstaten zorgen voor de koppeling van de registers van elke lidstaat via een "Europees centraal platform". Dit zal ervoor zorgen dat deze informatie in heel de EU toegankelijk wordt gemaakt en dat meervoudige registratie van dezelfde trusts en soortgelijke juridische constructies binnen de EU wordt vermeden. 

3. Maatregelen tegen anonimiteit 

Naast het verbod voor kredietinstellingen en financiële instellingen om anonieme rekeningen en anonieme spaarboekjes te houden, is het vanaf nu ook verboden om anonieme kluizen te houden. 

Eigenaars en begunstigden van bestaande anonieme rekeningen, anonieme spaarboekjes of anonieme kluizen moeten ten laatste op 10 januari 2019 worden onderworpen aan de cliëntenonderzoeksmaatregelen. 

Kredietinstellingen en financiële instellingen die als accepteerder optreden kunnen enkel betalingen aanvaarden die verricht worden met anonieme prepaidkaarten die zijn uitgegeven in derde landen indien ze aan de volgende  vereisten voldoen :

  • anonieme prepaidkaarten kunnen enkel worden gebruikt met een maximaal elektronisch opgeslagen bedrag en een maandelijkse betalingslimiet van 150 €;
  • anonieme opname van contanten met anonieme prepaidkaarten wordt beperkt tot 50 €.

De lidstaten kunnen eveneens besluiten om op hun grondgebied geen anonieme prepaidkaarten te aanvaarden. 

4. Omzetting 

De lidstaten moeten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen invoeren om uiterlijk op 10 januari 2020 aan deze richtlijn te voldoen.

Blijft dus nog de vraag of de Belgische wetgever de nieuwigheden van deze richtlijn al in het Koninklijk besluit zal opnemen dat tegen het eind van dit jaar wordt voorzien of dat de publicatie van het Koninklijk besluit zal worden uitgesteld naar een latere tijdstip.

Mathieu Maniet - Leo Peeters