De bescherming van Intellectuele Eigendomsrechten vs. de rechten van Internet Service Providers:

een delicate evenwichtsoefening

Gedurende de afgelopen jaren is het duidelijk geworden dat de eigenaars van intellectuele rechten somtijds op gespannen voet staan met de Internet Service Providers.

Het kan niet ontkend worden dat het Internet een onbegrensd en wereldwijd toegankelijk platform is, waardoor het eenvoudiger wordt om op grote schaal inbreuken te plegen op intellectuele eigendomsrechten. Aangezien het hierbij vaak moeilijk is om de inbreukmaker zelf te vervolgen, trachten de eigenaars van intellectuele eigendomsrechten regelmatig de Internet Service Providers aansprakelijk te houden voor de inbreukmakende inhoud op hun netwerk en voor het faciliteren van de illegale distributie van beschermde werken. In dit verband verzoeken ze de rechtbank frequent om vergaande maatregelen te nemen, dewelke strijdig kunnen zijn met fundamentele rechten, zoals privacy of de vrijheid van meningsuiting. De rechtbank dient derhalve een afweging te maken tussen de bescherming van Intellectuele Eigendomsrechten en de vrijheid van informatie.

De recente rechtspraak van het Europees Hof van Justitie heeft in deze context de draagwijdte van de aansprakelijkheid van de Internet Service Providers omtrent inbreuken op intellectuele eigendomsrechten verduidelijkt en heeft de basis principes in deze materie vastgelegd.

De zaak eBay / L’Oréal

Dit arrest, geveld door het Europees Hof van Justitie op 12 juli 2011, heeft verschillende vraagstukken omtrent merkinbreuken tot voorwerp. De zaak heeft haar oorsprong in een geschil tussen L’Oréal, de gerenommeerde producent van cosmetica producten, en eBay, de online marktplaats.

L’Oréal had een procedure tegen eBay opgestart, op basis van het feit dat deze laatste verschillende merkinbreuken zou gepleegd hebben. Een kwestie in het bijzonder betrof de aansprakelijkheid van eBay voor het door de vingers zien van merkinbreuken, gepleegd door de gebruikers van de online marktplaats. Volgens l’Oréal diende de aansprakelijkheid van eBay weerhouden te worden, vermits ze als “betrokken” diende beschouwd te worden in de voormelde inbreuken en voor het feit dat ze geen passende acties heeft ondernomen om een halt toe te roepen aan de illegale praktijken.

eBay, anderzijds, hield vol dat zij zich kon beroepen op de uitzondering voorzien in de E-commerce Richtlijn (2000/31) en dat haar aldus niets verweten kon worden.

Bijgevolg diende het Hof de draagwijdte van de uitzonderingsbepalingen, vervat in artikel 14, te interpreteren. In haar arrest oordeelde het Hof dat een Internet Service Provider beroep kan doen op deze uitzondering indien kan vastgesteld worden dat de Operator (i) geen kennis heeft van enige illegale activiteiten of informatie, (ii) zich niet bewust is van feiten of omstandigheden die blijk geven van illegale activiteiten of informatie, en (iii) wanneer zij hiervan in kennis gesteld is, zij snel gehandeld heeft teneinde de informatie te verwijderen, dan wel de toegang hiertoe te blokkeren.

Bovendien is voor de toepassing van artikel 14 vereist dat de Operator geen actieve rol heeft gespeeld, waardoor ze kennis of controle zou hebben over de illegale activiteiten of informatie. Het Hof preciseerde dat een Operator een dergelijke rol heeft wanneer het ondersteuning biedt die de transacties tussen gebruikers optimaliseren of promoten.

Hoewel het aan de nationale rechtbank is om te bepalen of eBay, dan wel enige andere operator, onder het toepassingsveld van artikel 14 valt, liet het Hof uitschijnen dat eBay zich niet neutraal heeft opgesteld daar ze actief hulp heeft geboden aan haar gebruikers zodat deze hun commerciële activiteiten konden stimuleren.

De zaak Scarlett / Sabam

Deze zaak gaat nog een stap verder. De hamvraag had immers betrekking op welke maatregelen een Operator moet nemen teneinde aansprakelijkheid te vermijden voor inbreuken op intellectuele eigendomsrechten begaan door haar gebruikers. Meer specifiek, kan een provider verplicht worden het verkeer op haar netwerk te monitoren?

Sabam, de Belgische beheersvennootschap had een vordering ingesteld tegen Scarlet, op basis van het feit dat een aantal van diens gebruikers op illegale wijze beschermde werken downloaden uit de Sabam catalogus. Sabam verzocht de rechtbank om een staking van de kwestieuze praktijken en vroeg bovendien Scarlet te verplichten om een filtering systeem te installeren dat zowel een einde zou maken aan alle huidige inbreuken alsook de toekomstige inbreuken zou voorkomen.

Het Europees Hof van Justitie heeft ter zake op 24 november 2011 klaar en duidelijk beslist dat een dergelijke maatregel niet kan bevolen worden aangezien het met zich meebrengt dat alle elektronische communicatie doorheen het netwerk van de Internet Service Provider zou gescreend worden.

Het Hof redeneerde dat dergelijke maatregelen niet kunnen geacht worden proportioneel te zijn, gelet op het feit dat de monitoring niet beperkt zou zijn in tijd, tevens gericht is tegen alle toekomstige inbreuken en bedoeld om niet alleen bestaande werken te beschermen, maar eveneens toekomstige werken die nog niet gecreëerd zijn op het moment dat het systeem in werking is gesteld.

Indien deze specifieke verplichting zou opgelegd worden aan Internet Service Providers, dan zou dit resulteren in een schending, niet alleen van de fundamentele rechten, maar ook van de vrijheid van handelen van de Internet Service Provider. Immers, het zou vereist worden van de Internet Service Provider om een complex, duur en permanent computersysteem te installeren op haar eigen kosten. Dit zou strijdig zijn aan zowel de E-Commerce richtlijn (2000/31) als aan de Handhavingsrichtlijn (2004/48) die bepaalt dat de maatregelen eerlijk en billijk moeten zijn en niet onnodig ingewikkeld of kostbaar mogen zijn.

Nationale rechtbanken hebben de bevoegdheid om specifieke maatregelen op te leggen, of om een Internet Service Provider aansprakelijk te houden indien de omstandigheden zich voordoen. Desalniettemin dient er steeds een belangenafweging gemaakt worden tussen de bescherming van intellectuele eigendomsrechten en de eerbiediging van fundamentele rechten.

Onlangs, namelijk op 16 februari 2012, werden deze principes door het Hof herbevestigd in de zaak Sabam / Netlog.

De nationale rechtbank kunnen online operators bevelen om maatregelen te nemen zowel tegen bestaande inbreuken, als tegen toekomstige inbreuken. Hierbij dienen ze zich er echter van te verzekeren dat de maatregel in kwestie effectief en proportioneel is en dat er bovendien geen belemmeringen voor legitieme handel gecreëerd worden.

Kortom, het Europees Hof van Justitie blijft de belangen van de eigenaars van intellectuele rechten en deze van het publiek te balanceren teneinde de bescherming van de rechten van beide te garanderen. De toekomst zal uitwijzen hoe de eigenaars van intellectuele rechten op adequate wijze hun rechten kunnen doen gelden in voortdurend wijzigende omstandigheden en zonder het internet te ontdoen van haar fundamentele waarden.

21 mei 2012

Griet Verfaillie - griet.verfaillie@peeters-law.be
Lynn Pype - lynn.pype@peeters-law.be  

Leer meer over dit onderwerp : schrijf in op onze nieuwsbrief!

E-mail *