Betalingsachterstand beter aangepakt?

Nieuwe bevoegdheden voor de vrederechter
en de rechtbank van koophandel

Vanaf 1 juli 2014 hebben vrederechters en rechtbanken van koophandel een aantal nieuwe bevoegdheden.

1. De rechtbank van koophandel

De belangrijkste wijziging voor de rechtbanken van koophandel is dat ze bevoegd zijn om alle geschillen tussen ondernemingen te regelen, ongeacht het bedrag, behalve als het om geschillen gaat die onder de bevoegdheid vallen van andere rechtscolleges (arbeidsrecht, sociale zekerheidsrecht).

Het begrip “onderneming” wordt in de wet als volgt gedefinieerd : “alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven ".

Dit is een beduidend ruimere definitie. De vroegere termen "kooplieden", "daden van koophandel", "handelsvennootschap" werden overal geschrapt of vervangen.

Dit betekent dat de rechtbank van koophandel ook bevoegd is voor de geschillen tussen ondernemingen waarvan het bedrag minder dan 1.860 EUR (2.500 EUR vanaf 1 september 2014) bedraagt.

Voorheen moesten deze geschillen aan de vrederechter worden voorgelegd, en kreeg de Rechtbank van Koophandel er slechts mee te maken indien beroep werd aangetekend tegen de beslissing van de vrederechter.
Let op! De vrederechter blijft wel bevoegd voor de geschillen die te maken hebben met een bedrag van minder dan 1.860 EUR (2.500 EUR vanaf 1 september 2014), wanneer een particulier wordt gedagvaard door een ondernemer.

Deze wijziging wordt ingevoerd om de volgende redenen:

- Het was vooreerst de bedoeling om de meer algemene rechtscolleges te ontlasten en de meer gespecialiseerde rechtscolleges, zoals de rechtbank van koophandel, te belasten met geschillen die hen natuurlijk zijn en die zij gemakkelijk op zich kunnen nemen. Het is de bedoeling dat de geschillen worden voorgelegd aan de meest geschikte rechter om een snelle en kwaliteitsvolle beslissing te waarborgen.
De rechtbanken van koophandel hadden daarenboven aangegeven dat ze niet te kampen hadden met achterstand.

- Meer en meer wordt het principe gehanteerd dat de bevoegdheid van de rechter moet worden bepaald door de aard van het geschil, veeleer dan op andere criteria dan de hoedanigheid van de partijen of de inzet van het geschil.

Men hoopt op die wijze de betalingsachterstand grondiger te kunnen aanpakken.

Verder zullen de rechtbanken van koophandel hierdoor een betere kijk hebben op de betalingsachterstand van bepaalde ondernemingen. Het bestaan van een groot aantal kleine facturen kan wijzen op een onderneming in moeilijkheden, zodat de rechtbank van koophandel sneller (preventief) kan optreden.


2. De vrederechter

Voor de vrederechters worden er twee belangrijke wijzigingen ingevoerd.

Vooreerst zijn zij voortaan bevoegd voor het invorderen van geldsommen door leveranciers van nutsvoorzieningen bij natuurlijke personen, ongeacht het bedrag.

Dit zijn de leveranciers van elektriciteit, gas, warmte of water of de personen die een openbaar elektronisch communicatienetwerk, een omroeptransmissie- of omroepdienst aanbieden.

Daarenboven is het de rechter van de woonplaats van de natuurlijke persoon die territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van deze geschillen (ingesteld door leveranciers van nutsvoorzieningen tegen hun afnemers). Deze vorderingen zullen dan ook telkens moeten gebracht worden voor de rechter van de woonplaats van de verweerder.

3. Enkele praktische voorbeelden

Volgens Ivan Verougstraete en Jean-Philippe Lebeau, in hun artikel, dat gepubliceerd is in het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht, onder de titel "Overdracht Vaardigheden, de rechtbank van koophandel is de natuurlijke rechter van het bedrijf", is het niet mogelijk om, met absolute zekerheid, een a priori lijst op te stellen van de bedrijven die voortaan onder de bevoegdheid vallen van de rechtbank van koophandel, omdat de vorm en het statuut van de exploitant bijkomstig wordt, alhoewel dat dit niettemin een basis kan blijven voor vermoedens.

Onder alle voorbehoud reiken ze de volgende lijst aan van de betrokken beroepen, bedrijven en organisaties (behalve deze waarbij uitdrukkelijk wordt vermeld dat ze niet vallen onder de nieuwe definitie van een "onderneming"):

a. Handelsvennootschappen, burgerlijke vennootschappen en landbouwvennootschappen :
- vastgoedvennootschappen;
- ambachtelijke vennootschappen, ontginningsvennootschappen en vennootschappen van steengroeven;
- sociale huisvestingsvennootschappen, tenzij hun maatschappelijk doel louter  maatschappelijk of sociaal is, met uitsluiting van een commercieel oogmerk;
- vennootschappen met een medische of paramedische activiteit (artsen, dierenartsen, tandartsen, kinesitherapeuten, etc.);
- vennootschappen van cijferberoepen (accountants, boekhouders, bedrijfsrevisoren);
- vennootschappen van architecten of landmeters;

b. rechtspersonen van publiek recht als het gaat om een economische activiteit, die kan worden losgekoppeld van de uitoefening van het openbaar gezag;

c. De vrije beroepen uitgeoefend door natuurlijke personen (zonder vennootschap dus): boekhouders, registeraccountants, accountants, architecten, landmeters, artsen, tandartsen, kinesitherapeuten, dierenartsen, ...

d. deurwaarders, notarissen en advocaten worden van het begrip “onderneming” uitgesloten;

e. zelfstandige beroepen, uitgeoefend als natuurlijke persoon (zonder vennootschap): makelaars, medische laboratoria, paramedici, verpleegkundigen, beheerders van residentiële gebouwen, engineering en technische activiteiten, interieur decoratie, thuiszorg, juridisch advies, fiscaal advies, kunstenaars die hun werken verkopen, verenigingen van auteurs;

f. organen van rechtspersonen, mandaathouders in verschillende bestuursorganen.

g. vzw's en stichtingen: klinieken en ziekenhuizen, onderwijs en rusthuizen, afhankelijk van hun maatschappelijk doel;

h. ziekenfondsen: het Europees Hof van Justitie oordeelde dat de activiteit van de ziekenfondsen geen economische activiteit uitmaakt, maar integendeel, dat de ziekenkassen effectief ondernemingen zijn voor zover ze ook andere diensten aanbieden, zoals bijvoorbeeld aanvullende verzekeringen.

De jurisprudentie zal moeten bepalen wat moet verstaan worden onder de nieuwe definitie "onderneming" die valt onder de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel.

4. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen

De wet is in werking getreden op 1 juli 2014.

Zaken die vóór de inwerkingtreding aanhangig zijn gemaakt bij een rechtscollege dat op dat ogenblik daarvoor bevoegd was, worden verder door dat rechtscollege behandeld.

26 juni 2014

Ann Vranken - ann.vranken@peeters-law.be

Ook interessant : De wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties is gewijzigd

Leer meer over dit onderwerp : schrijf in op onze nieuwsbrief!

E-mail *