Schuldeisers met
betwiste schuldvordering
beschermd bij kapitaalherschikking

Om bij bepaalde vormen van kapitaalherschikking de
rechten van de schuldeisers met een betwiste schuldvordering
te vrijwaren, wordt thans de mogelijkheid tot vordering
van zekerheidsstelling en de hoofdelijke aansprakelijkheidsvordering gewaarborgd.


Dit is ingevolge de wet van 22 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen, wat de waarborgen van de schuldeisers bij kapitaalherschikking betreft (de “Wet”). Deze wet trad in voege op 26 december 2013.

Handelsvennootschappen kunnen hun kapitaal herschikken op verschillende manieren: zij kunnen :

hun (aandelen) kapitaal terugbetalen (aflossing van kapitaal),

de vennootschap splitsen in twee of meer afzonderlijke entiteiten,

een algemeenheid van goederen of een bedrijfstak inbrengen, of

hun kapitaal verminderen.

Al deze ingrepen kunnen ertoe leiden dat het gemeenschappelijk onderpand van hun schuldeisers afneemt.

Het Wetboek van vennootschappen (“W.Venn.” ) bevatte reeds een aantal bepalingen die de belangen beschermen van schuldeisers van vennootschappen die een kapitaalherschikking doorvoeren.
Enerzijds kunnen de schuldeisers van elke vennootschap die deelneemt aan een  kapitaalherschikking, houdende een splitsing, een bijkomende zekerheidsstelling vragen voor schuldvorderingen die ontstaan zijn voor de bekendmaking van de akte die de herstructurering doorvoert en die op dat moment nog niet zijn vervallen.
Anderzijds blijven de verkrijgende vennootschappen hoofdelijk gehouden tot betaling van de zekere en opeisbare schulden die bestaan op de dag dat voormelde akten zijn bekendgemaakt.

Deze beschermingsmaatregelen beogen een bescherming van schuldeisers die ofwel over een “niet-vervallen schuldvordering” beschikken ofwel over een “zekere en opeisbare schuldvordering” beschikken”.

Bij arrest van 14 oktober 2011 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over de precieze draagwijdte van het begrip “zekere en opeisbare schulden”. Het Hof van Cassatie heeft ter zake geoordeeld dat een verbintenis die voortvloeit uit een voor hoger beroep vatbaar vonnis en die niet voorlopig uitvoerbaar verklaard is, geen zekere en opeisbare schuld betreft. Hieruit volgt dat de reeds bestaande beschermingsmechanismen, zoals voorzien in artikel 613 W.Venn. (kapitaalvermindering NV), artikelen 684 en 686 W.Venn. (fusie en splitsingen), respectievelijk artikelen 766 en 767 W.Venn. (inbreng van algemeenheid of bedrijfstak), niet kunnen worden toegepast op schuldeisers met een schuldvordering die door de vennootschap in rechte wordt betwist, zelfs indien deze betwisting achteraf volstrekt ongegrond zou blijken te zijn.

Een dergelijke stellinginname van het Hof van Cassatie leidde er dan ook toe dat de schuldeisers, van wie de vordering betwist was, tot voor kort uit de boot vielen. Zij genoten geen bijzondere bescherming. Het behoeft geen betoog dat voormeld arrest aan kritiek onderhevig was.

Middels de nieuwe Wet, wenst de wetgever tegemoet te komen aan de kritiek op bovenvermeld arrest van het Hof van Cassatie, en dit door de bescherming van schuldeisers van vennootschappen die deelnemen aan een kapitaalherschikking uit te breiden naar vorderingen “waarvoor in rechte of via arbitrage een bezwaar werd ingesteld voor de algemene vergadering die zich over de kapitaalherschikking dient uit te spreken”.

In de praktijk zal de schuldeiser de vennootschap die een kapitaalherschikking wenst door te voeren wellicht om een zekerheid verzoeken en zich, in geval van weigering, tot de rechtbank of het scheidsgerecht wenden. Deze zal oordelen over de schijn van recht waarover de schuldeiser ten aanzien van de vennootschap beschikt om een dergelijke zekerheid te eisen. Slechts in de mate waarin deze schuldvordering gegrond lijkt, zal de rechter of de arbiter, al naargelang het geval, de toekenning van een zekerheid toestaan.

Met deze wet wordt althans (deels) verholpen aan het precair karakter van de door het Wetboek van vennootschappen voorziene bescherming van schuldeisers in geval van schuldherschikking.

De wijzigingen die deze Wet aanbrengt aan de artikelen 684 en 686 W.Venn. (fusie en splitsing), alsook aan de artikelen 766 en 767 W.Venn. (inbreng van algemeenheid of van bedrijfstak) strekken de schuldeisers (van betwiste schuldvorderingen) van alle vennootschappen met rechtspersoonlijkheid (met uitzondering van de landbouwvennootschappen en de economische samenwerkingsverbanden) tot voordeel.
In het geval van een kapitaalvermindering, lijkt het er daarentegen op dat enkel de schuldeisers die een betwiste vordering hebben op een naamloze vennootschap of een commanditaire vennootschap op aandelen (gewijzigd artikel 613 W.Venn. juncto artikel 657 W.Venn.) bijzondere bescherming genieten. De Wet voorziet immers niet in een wijziging van de spiegelbepalingen voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (artikel 317 W.Venn.) of coöperatieve vennootschappen (artikel 426 W.Venn.).

Dit verschil in behandeling strookt niet met de ratio legis van de wet en dient o.i. dan ook zo spoedig mogelijk te worden rechtgezet (wijziging artikelen 317 W.Venn. en artikel 426 W.Venn.).

06 februari 2014

Pieter Dierckx - pieter.dierckx@peeters-law.be
Leo Peeters - leo.peeters@peeters-law.be



Leer meer over dit onderwerp : schrijf in op onze nieuwsbrief!

E-mail *