De sperperiode

Volgende week starten zoals elk jaar de zomer solden, die steevast vooraf gegaan worden door de  sperperiode.
Niettemin kunnen consumenten nu reeds
kortingen genieten in verschillende winkels.


Ondanks de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie en van het Europese Hof van Justitie blijft de regering aan de sperperiode vasthouden.

Een maat voor niets, zo leert het arrest van het Hof van Cassatie van 2 november 2012. 

Het Hof oordeelde immers in duidelijke bewoordingen dat de sperperiode in strijd is met de Europese richtlijn 2005/29 betreffende de oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (die de basis vormt voor de Belgische Wet op de Marktpraktijken), voor zover de sperperiode tot doel heeft de consumenten te beschermen.

De richtlijn laat ons systeem van de sperperiode immers niet toe.


Indien deze daarentegen zuiver de belangen van de handelaars zou beschermen, kon de sperperiode aanvaard worden omdat het niet in het vaarwater van de richtlijn komt.

Het Hof gaf echter onmiddellijk aan dat de Wetgever destijds met de invoering van de sperperiode, namelijk in artikel 53 van de Wet op de Handelspraktijken en Consumentenbescherming van 14 juli 1991 (WHPC), wel degelijk de bescherming van de consument beoogde. Deze ratio stond immers letterlijk verwoord in de voorbereidende werken van de WHPC. Dit heeft dan ook meteen tot gevolg dat een verbod van aankondigingen van prijsverminderingen tijdens de sperperiode een schending is van de richtlijn.

Niettegenstaande dit arrest, volhardt de regering (uit bezorgdheid voor de handelaars) en stelt zij dat de sperperiode toch behouden kan blijven. Het argument daarvoor is dat het Hof van Cassatie zich baseerde op de oude WHPC, terwijl op dit moment de Wet op de Marktpraktijken en Consumentenbescherming van 6 april 2010 (WMPC) de vigerende wetgeving ter zake is. De regering achtte het arrest van het Hof dus achterhaald.

Anderzijds, als we de nu vigerende wet WMPC onderzoeken, stellen we vast dat het huidige artikel 32 WMPC, in verband met de sperperiode, quasi identiek is aan het oude artikel 53 WHPC, met dien verstande dat de sperperiode met drie weken is ingekort en dat deze enkel van toepassing is op de sectoren van de kleding, de lederwaren en de schoenen. Met andere woorden, de producten waar het in de solden om draait. In het wetsontwerp van de WMPC wordt deze wijziging verantwoord door de bescherming die deze sectoren nodig zouden hebben aangezien zij afhankelijk zijn van de solden verkoop.

Dit doet uitschijnen dat de wetgever niet langer de bescherming van de consument voor ogen heeft, maar wel de bescherming van de handelaar. Hieruit zou kunnen volgen dat de sperperiode dan ook buiten de toepassing van de richtlijn 2005/29 zou vallen.

Echter, er blijkt uit de memorie van toelichting van de huidige WMPC dat de wetgever zich steunt op het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 12 mei 2009 om de sperperiode te ondersteunen. In dit arrest werd immers geoordeeld dat de sperperiode op grond van het (oude) artikel 53 WHPC geoorloofd was.

Laat het nu net dat arrest zijn dat
op 2 november 2012 door het Hof van Cassatie verbroken werd wegens schending van de richtlijn.

Het is merkwaardig dat de regering zich in bochten wringt om de sperperiode in stand te houden, terwijl het huidig juridisch kader daarvoor geen sluitend soelaas biedt. Cassatie dient immers te worden gevolgd en de zogenaamde “inbreukplegers op de sperperiode” gaan vrijuit.

Enkel een wetswijziging die de sperperiode regelt, specifiek in het voordeel van de handelaars, zou duidelijkheid kunnen bieden.

Maar die sperperiode, was die er eigenlijk niet gekomen om de consument te beschermen?

26 juni 2013

Griet Verfaillie - griet.verfaillie@peeters-law.be
Lynn Pype - lynn.pype@peeters-law.be

Leer meer over dit onderwerp : schrijf in op onze nieuwsbrief!

E-mail *