Het stakingsrecht
en het gentlemen's agreement
tussen de sociale partners

Een gentlemen's agreement tussen werkgevers en vakbonden
is niet meer nodig van zodra de partijen ermee stoppen het
recht tot staken en de wijze waarop dat recht wordt
uitgeoefend ten onrechte met elkaar te vermengen.

Recent ontstond er heel wat commotie in de media omdat de sociale partners er niet in slaagden om hun gentlemen’s agreement omtrent de uitoefening van het stakingsrecht aan te passen. Dat gaf de aanzet aan een aantal politici om zich onmiddellijk in de media op te dringen om hun zegje te doen.

Maar, hebben we echt een dergelijk gentlemen’s agreement nodig?

Het recht om te staken is – rechtstreeks of onrechtstreeks – erkend in een aantal internationale documenten, waaronder het Europees Sociaal Handvest en het Handvest van de grondrechten van de EU. Terwijl de Belgische wetgeving geen dergelijke rechtstreekse erkenning inhoudt, aanvaardt de Belgische rechtsorde dat het recht om te staken minstens impliciet aanvaard is in het Belgisch recht.

Dus, terwijl het recht om te staken in se niet (meer) in vraag wordt gesteld in België, kunnen er verhitte discussies ontstaan als gevolg van de wijze waarop dit recht wordt uitgeoefend door de werknemers en de aanvallen die gericht zijn op de wijze waarop het recht om te staken wordt uitgeoefend, worden al te vaak – volgens ons, onterecht – afgeschilderd door de vakbonden als aanvallen op het stakingsrecht zelf.

En dat is wanneer de meningsverschillen tussen beide kampen onoverbrugbaar dreigen te worden.

Een deel van het probleem is, zonder enige twijfel, het feit dat de vakbonden geen rechtspersoonlijkheid hebben in België. Als gevolg hiervan, kunnen de vakbonden in België niet juridisch aansprakelijk worden gesteld. De vakbonden zijn hier heel gevoelig over en neigen zelfs bijna agressief te worden van zodra iemand er zelfs aan denkt om dat punt op te werpen.

In een poging om de dingen min of meer in de hand te houden, hebben de werkgeversorganisaties en de vakbonden enige jaren geleden een gentlemen’s agreement gesloten omtrent de wijze waarop het recht om te staken uitgeoefend wordt enerzijds, en anderzijds, de wijze waarop de werkgevers (re)ageren in geval van een staking.

Bij wijze van voorbeeld, de vakbonden hebben beloofd om zich naar best vermogen in te spannen en erop toe te zien dat de openbare orde niet zou verstoord worden (het blokkeren van wegen) en dat de stakers de niet-stakende werknemers niet zouden beletten om te werken.

De werkgeversorganisaties, anderzijds, beloofden om hun leden-werkgevers niet aan te sporen om een eenzijdig verzoek in te dienen bij de rechtbank om zo te pogen een gerechtelijke verbod te verkrijgen tegen de staking.

Ondanks dit gentlemen’s agreement, liepen (nationale) (stakings)acties, georganiseerd door de vakbonden in de loop van voorbije jaren, meer en meer uit de hand. Als een voorbeeld bij uitstek, kan er verwezen worden naar de blokkering van een snelweg op het einde van vorig jaar met zeer ernstige gevolgen.

De sociale partners hebben de gesprekken heropend in een poging om het gentlemen’s agreement aan te passen. Helaas, hebben zij gefaald.

Wederzijdse verwijten werden heftig geuit in de media: de vakbonden beweerden dat de werkgeversorganisaties te veel eisen stelden, die zouden kunnen resulteren in een verregaande beknotting van hun vakbondsrechten. De werkgeversorganisaties beweerden anderzijds dat de positie van de vakbonden volstrekt onredelijk was omdat ze weigerden om illegale acties te bannen.

Maar, moet dit allemaal zo moeilijk zijn?

Naar onze mening niet, op voorwaarde dat aanvaard wordt dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen het recht om te staken en de wijze waarop dat recht wordt uitgeoefend.

Het recht om te staken is het recht van werknemers om collectief, tijdelijk, het werk overeenkomstig de arbeidsovereenkomst, te onderbreken om druk uit te oefenen op de werkgever (of een groep van werkgevers) om toegevingen te doen met betrekking tot arbeidszaken en het recht om door de werkgever niet te worden gesanctioneerd omwille van deze onderbreking.

Dat recht houdt niet in dat er enig geweld aan te pas komt. In elk geval, een gentlemen’s agreement is niet nodig om geweld tegen te gaan.

Bij wijze van voorbeeld, om het blokkeren van openbare wegen tegen te gaan, is er een burgemeester nodig, die de politieke moed heeft, als hoofd van de politie van zijn gemeente, bevelen te geven aan de politiediensten – indien nodig, met de steun van de federale politie – om de wegblokkeringen op te heffen met alle middelen die redelijkerwijs nodig zouden zijn.

Het recht om te staken houdt ook niet in dat werknemers, die wel verkiezen om te werken, worden tegengehouden om zulks te doen.

Weliswaar, is dit een delicater punt: stakingsposten zijn in het algemeen aanvaard als een toegelaten onderdeel van de uitoefening van het stakingsrecht. Alhoewel, de grens tussen stakingsposten en het fysiek tegenhouden van werknemers opdat ze de werkruimten niet zouden kunnen betreden, is een dunne grens. Daarenboven, worden stakingspiketten vaak geïnstalleerd op het privéterrein van de werkgever. En dit gegeven maakt het moeilijk, zo niet onmogelijk, voor de publieke autoriteiten om tussen te komen.

De idee, die tijdens de publieke debatten aan bod kwam, dat de vakbonden een contactpersoon zouden aanduiden in geval van staking, naar wie de werkgever zich zou kunnen wenden om zulke zaken te bespreken en op te lossen, lijkt een goed idee te zijn.

Men zou kunnen stellen dat de aanduiding van zulk contactpersoon niet nodig lijkt, aangezien de secretaris van de vakbond duidelijk de aangewezen contactpersoon is voor de werkgever.

Als dit correct is, zou een bepaling, die vereist dat de vakbonden een dergelijke contactpersoon aanduiden, en de daadwerkelijke formele aanduiding van een dergelijke contactpersoon, ongetwijfeld meer gewicht en impact geven aan die contactpersoon.

Daar kan aan worden toegevoegd, dat het betamelijk zou zijn om een persoon aan te duiden, andere dan de vakbondssecretaris, die als contactpersoon normaal met de werkgever handelt, omdat in geval van een staking, de relatie tussen de werkgever en de betrokken vakbondssecretaris hoogstwaarschijnlijk reeds vertroebeld is.

In ieder geval, de aanduiding van een contactpersoon biedt geen oplossing voor alle gevallen.

De vraag stelt zich hier hoe vanuit praktisch oogpunt een contactpersoon zou worden aangesteld in geval van een nationale staking.

Bovendien, deze persoon juridisch aansprakelijk maken ten aanzien van de werkgever met betrekking tot alle schade als gevolg van illegale wijzen van uitoefening van het stakingsrecht, zoals voorgesteld door sommige politici, is – zonder twijfel – een brug te ver binnen de sfeer van de Belgische collectieve arbeidsverhoudingen.

Zulke onrealistische suggesties zijn niet bevorderlijk voor oplossingen die ten goede komen aan het Belgisch investeringsklimaat. Integendeel, ze bemoeilijken onnodig zulke oplossingen.

Politiek realisme is even belangrijk als politieke moed.

03 maart 2016

Leila Mstoian - leila.mstoian@peeters-law.be
Marcel Houben - marcel.houben@peeters-law.be


Leer meer over dit onderwerp : schrijf in op onze nieuwsbrief!

E-mail *