Nieuwe loonplafonds
vanaf 1 januari 2014

De wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten

Het principe van de jaarlijkse aanpassing van de loonplafonds,
voor de toepassing van de wet van 3 juli 1978
betreffende de arbeidsovereenkomsten,
is vastgesteld bij artikel 131 van deze wet.

De loonplafonds worden aldus jaarlijks, vanaf 1 januari, aangepast aan de evolutie van de lonen, zoals deze bepaald zijn in uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomsten voor de particuliere sector.

Deze loonplafonds (of tenminste twee ervan) blijven ook relevant na de wijzigingen van de wet op de arbeidsovereenkomsten, waardoor het eenheidsstatuut werklieden/bedienden wordt ingevoerd.

Deze wijzigingen zouden – in principe – toepasselijk moeten zijn vanaf 1 januari 2014 (hierna “de nieuwe wet” genoemd).

De verwijzing naar de nieuwe wet wordt gemaakt onder alle voorbehoud, omdat zij gebaseerd is op informatie die wij ter beschikking hebben betreffende het wetsontwerp, zonder kennis te hebben kunnen nemen van de tekst van het wetsontwerp zelf.

Vanaf 1 januari 2014 worden de loonplafonds aldus als volgt aangepast:

het eerste plafond van EUR 32.254 wordt EUR 32.886;

het tweede plafond van EUR 38.665 wordt EUR. 39.422;

het derde plafond van EUR 64.508 wordt EUR. 65.771.






Het loonplafond van EUR 32.886
zal in het kader van de nieuwe wet van belang zijn met betrekking tot:

de mogelijkheid om een scholingsbeding op te nemen in de arbeidsovereenkomst;

de mogelijkheid om een niet-concurrentiebeding op te nemen in de arbeidsovereenkomst;

de vaststelling van de duur van de opzeggingstermijnen te respecteren door de werkgever t.a.v. de bedienden, voor wat de anciënniteit betreft, verworven voor 1 januari 2014;

de vaststelling van de maximumduur van de opzeggingstermijn te respecteren door de bedienden, voor wat de anciënniteit betreft, verworven voor 1 januari 2014.

Het tweede loonplafond ten bedrage van EUR 39.422  verliest alle relevantie voor arbeidsovereenkomsten gesloten vanaf 1 januari 2014, omdat de proefperiode voor die arbeidsovereenkomsten verdwijnt in overeenstemming met de nieuwe wet.

Het derde loonplafond van EUR 65.771 zal in het kader van de nieuwe wet van belang zijn met betrekking tot:

de mogelijkheid om een niet-concurrentiebeding in te schrijven in de arbeidsovereenkomst voor werknemers die geen handelsvertegenwoordigers zijn;

de mogelijkheid om een scheidsrechtelijk beding op te nemen in de arbeidsovereenkomst;

de vaststelling van de maximumduur van de opzeggingstermijn te respecteren door de bedienden, voor wat de anciënniteit betreft, verworven voor 1 januari 2014.

In toepassing van het huidige artikel 82§5 van de wet op de arbeidsovereenkomsten, kan de opzeggingstermijn, te respecteren door de werkgever, bepaald worden bij overeenkomst gesloten uiterlijk bij de indiensttreding.

Of deze overeenkomsten in het kader van de nieuwe wet geldig zullen blijven voor de vaststelling van de opzeggingstermijn - voor wat de anciënniteit betreft, verworven voor 1 januari 2014 – en dus, of het derde loonplafond in deze context nog relevant zal zijn in het kader van de nieuwe wet, blijft op basis van de beschikbare informatie nog een open vraag.

06 november 2013

Marcel Houbenmarcel.houben@peeters-law.be