Di Rupo's algemene beleidsverklaring
gelezen met een sociaalrechtelijke bril
Deel 1

Op 21 november 2012 presenteerde
Eerste Minister Di Rupo de Algemene Beleidsverklaring
van de federale regering aan het federaal parlement.

Traditiegetrouw zorgde deze verklaring reeds tijdens de onderhandelingsfase voor de nodige turbulentie, waarbij de pers op basis van gissingen en strategische lekken een cruciale rol speelde.

Vanuit sociaalrechtelijk oogpunt springen vier elementen in de Algemene Beleidsverklaring in het oog: (1) de concurrentiekracht van onze bedrijven verhogen door de loonkloof met onze buurlanden weg te werken; (2) de concurrentiekracht van onze bedrijven verder verhogen door een verlaging van de sociale lasten; (3) de jobkansen voor jongere en oudere werknemers vergroten; en (4) de voortdurende vorming van de werknemers stimuleren.

In deze nieuwsbrief concentreren wij ons op de wegwerking van de loonkloof met onze buurlanden. In de volgende nieuwsbrief van eind december komen de drie andere aandachtspunten aan bod.

Om de loonkloof met onze buurlanden weg te werken wordt op de eerste plaats beroep gedaan op de sociale partners: zij worden met aandrang gevraagd om in het interprofessioneel akkoord (IPA), dat normaliter begin volgend jaar zou moeten gesloten worden, uitdrukkelijk te voorzien dat gedurende de geldigheidsduur van het IPA (in principe 2 jaar) geen loonsverhogingen zullen toegepast worden bovenop de loonindexeringen en de baremieke verhogingen.

Daarbij slaat de federale regering drie vliegen in één klap: (1) zij jaagt de sociale partners niet tegen haar in het harnas door niet zelf, boven de hoofden van de sociale partners, te beslissen over een gevoelig onderwerp zoals loonmatiging; (2) zij ontwijkt het heikele punt van een (tijdelijke, éénmalige) indexsprong door een blokkering van het systeem van de automatische indexering van de lonen en van de sociale zekerheidsuitkeringen; en (3) zij kan met opgeheven hoofd volhouden dat zij geen (totale) loonstop heeft opgedrongen.

Nochtans, het feit dat de regering op de eerste plaats beroep doet op de sociale partners om loonsverhogingen de volgende jaren uit te sluiten, betekent niet dat de regering aan de sociale partners de volledige vrijheid laat: een aanpassing van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt als stok achter de deur gehouden; voorstellen daaromtrent worden zelfs in het vooruitzicht gesteld voor het einde van dit jaar.

Men zal zich herinneren dat deze wet van 1996 een mechanisme in het leven riep, waarbij jaarlijks de stijging van de loonkosten in de ons omringende landen werd gemeten en de stijging van de loonkosten in ons land binnen dezelfde perken werd gehouden. Het uiteindelijk doel van deze maatregel was uiteraard om een (toenemende) loonkloof met de ons omringende landen te vermijden. Eind van de jaren ’90, begin van de jaren 2000 bleek dat systeem te functioneren. De laatste jaren verdween de strikte toepassing van het mechanisme meer en meer uit het vizier, met als gevolg …… een opnieuw toenemende loonkloof. Di Rupo (I) lijkt nu dus vastberaden om het mechanisme te reactiveren en te optimaliseren.

Aan het heilig huisje van de automatische indexering van de lonen en de sociale zekerheidsuitkeringen wordt formeel niet geraakt. Dat betekent nochtans niet dat het mechanisme onaangeroerd overeind zou blijven. In de Beleidsnota worden corrigerende maatregelen voorzichtig – haast verdoken – aangekondigd door de bevestiging dat de regering “… ervoor (zal) zorgen dat de index beter en sneller het werkelijke consumptiegedrag van de gezinnen weerspiegelt”. Hetgeen hiermee waarschijnlijk bedoeld wordt is dat de berekening van de index zal gewijzigd worden zodat deze minder snel zal stijgen.

In het verleden werd die oefening al eens in de praktijk gebracht door de invoering van de gezondheidsindex en door de lonen te koppelen aan die gezondheidsindex i.p.v. de index van de consumptieprijzen. Daarbij werd voor de berekening van het indexcijfer abstractie gemaakt van een aantal producten, zodat het indexcijfer minder snel stijgt (en dus ook de lonen en de sociale zekerheidsuitkeringen). Door die ingreep is de gezondheidsindex nu ruim 2 punten lager dan het indexcijfer van de consumptieprijzen: voor de maand oktober 2012 bedraagt de gezondheidsindex 119,87; het indexcijfer van de consumptieprijzen staat op 121,79.

Alhoewel daarover nog niets officieel bekend is, is het te verwachten dat maatregelen met gelijkaardige gevolgen door de regering Di Rupo (I) zullen genomen worden. Aldus doen, bij wijze van voorbeeld, geruchten de ronde dat ook de prijzen, die toepasselijk zijn tijdens de soldenperiodes, in aanmerking zullen genomen worden voor de berekening van het indexcijfer.

Tenslotte blijft de vraag in welke mate de maatregelen, om de loonkloof met de omringende landen weg te werken, al dan niet een inkomensstop uitmaken. De Di Rupo-regering zegt duidelijk dat dat niet het geval is. In vergelijking met maatregelen die in de loop van de jaren ’80 werden genomen door één van de regeringen-Martens, lijken de huidige maatregelen “soft” van aard te zijn. Toen werd niet alleen de globale loonmassa van een onderneming in de gaten gehouden, maar ook individuele loonafspraken ontsnapten niet aan een mogelijke controle (en sancties). Hoe dan ook, op basis van de tekst van de Algemene Beleidsverklaring is er in de huidige context geenszins sprake van een globale “inkomensstop”, maar veeleer van een “loonmatiging”.

Een nauwlettende opvolging van de op til zijnde maatregelen dringt zich uiteraard op om een voortdurende, efficiënte dienstverlening aan de werkgevers / ondernemingen te garanderen.

04 december 2012

Marcel Houben - marcel.houben@peeters-law.be