De transactie in het mededingingsrecht
en de mogelijkheid om een
schadevergoeding te vorderen

Op 22 juni 2015 deelde de Belgische mededingingsautoriteit
op haar website mee dat het auditoraat haar eerste transactiebeslissing had genomen, waarbij boetes voor
een totaalbedrag van 174 miljoen euro werden opgelegd
aan 18 grote bedrijven uit de distributiesector
en leveranciers van parfumerie en hygiëneproducten.

Deze bedrijven hebben tussen 2002 en 2007 deelgenomen aan gecoördineerde verhogingen van de verkoopprijzen aan consumenten voor drogisterij-, parfumerie- en hygiëneproducten.

Deze beslissing is beschikbaar op de website van de Belgische mededingsautoriteit.

Het doel van dit artikel is om een licht te werpen op de procedure inzake transacties waartoe het auditoraat de mogelijkheid heeft aan de ene kant en de mogelijkheid voor de slachtoffers van deze praktijken om een schadevergoeding te bekomen aan de andere kant.


1. De procedure inzake transacties

Net zoals de gebruikelijke procedure met betrekking tot restrictieve mededingingspraktijken, omvat de transactie een onderzoeksfase en een beslissingsfase.

1.1. De onderzoeksfase

Het Wetboek van Economisch Recht staat het auditoraat toe om bedrijven een voorstel te doen om een procedure tot transactie op te starten. Dit is mogelijk in elk stadium van de procedure, maar vooraleer het auditoraat zijn ontwerp van beslissing bij de voorzitter van de Belgische Mededingingsautoriteit heeft neergelegd in het kader van de gebruikelijke procedure. Indien het bedrijf in kwestie niet bereid is om de gesprekken te starten, betekent dit het einde van de transactieprocedure.

Zijn de bedrijven in kwestie wel bereid om gesprekken te voeren om tot een transactie te komen, dan zal het auditoraat de bezwaren lastens hen identificeren, de bedrijven toegang geven tot het bewijsmateriaal, de informatie en de niet vertrouwelijke documenten die daartoe gebruikt worden, en geeft het kennis van de prijsvork waarbinnen de geldboete die het overweegt voor te stellen aan het Mededingingscollege, zich zal bevinden.

De bedrijven gaan vervolgens over tot een transactieverklaring waarmee zij hun betrokkenheid en verantwoordelijkheid bij de aangehaalde inbreuk erkennen en de voorgestelde sanctie aanvaarden.

1.2. De beslissingsfase

Na de onderzoeksfase, zal het auditoraat aan de bedrijven een ontwerp van transactiebeslissing  ter kennis brengen, en indien de praktijk concurrentiebeperkend is op de interne markt en mogelijk de handel tussen lidstaten van de Europese Unie beïnvloedt, ook de Europese commissie.

Merk op dat, in de berekening van het bedrag van de boete, het auditoraat rekening kan houden met de verbintenis van de betrokken onderneming of ondernemingsvereniging om zich te kwijten van de betaling van de schadevergoeding. Het kan ook ertoe besluiten een korting van 10% toe te passen op het bedrag van de geldboete aan de ondernemingen die het strafbaar feit hebben geaccepteerd zoals vermeld in het besluit alsook de sanctie die ten opzichte van hen van toepassing is. Dit was het geval in het besproken besluit.

Merk ook op dat in het geval van de 18 bedrijven die veroordeeld werden tot een boete, drie van hen ook geprofiteerd hebben van gehele of gedeeltelijke vrijstelling omwille van de rol die zij hebben gespeeld bij de melding van de praktijk. Zij genieten dan namelijk van de clementieregeling. De bepalingen daaromtrent moedigen dus elk bedrijf aan om als eerste een restrictieve praktijk aan te geven om van de clementieregeling te genieten en een volledige vrijstelling van de boete te verkrijgen.

Van zodra de bedrijven bevestigd hebben dat het ontwerp-besluit tot transactie een weergave is van de inhoud van hun transactieverklaring en de aanvaarding van hun straf, neemt het auditoraat een beslissing over de geldboete en stelt het de ondernemingen en eventueel de aanklagers daarover in kennis, waardoor de procedure wordt afgesloten.

1.3. Het is belangrijk te noteren dat een transactiebesluit gelijkwaardig is aan een beslissing van het College van mededinging. Bovendien is dit besluit het voorwerp van een publicatie in het Belgisch Staatsblad en op de website van de Belgische mededingingsautoriteit.

Tenslotte is het belangrijk te weten dat tegen een transactiebeslissing geen hoger beroep kan worden ingesteld door de betrokken ondernemingen.

2.    De actie tot schadevergoeding

De mogelijkheid voor de slachtoffers van een inbreuk op het mededingingsrecht, ongeacht ze consumenten, bedrijven of overheden zijn, om een schadevergoeding te verkrijgen werd ingevoerd door de Europese Richtlijn 2014/104/EU van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie.

2.1. De richtlijn maakt het voor dergelijke slachtoffers mogelijk om het bewijsmateriaal dat nodig is om hun aanvraag te staven, gemakkelijker te verkrijgen.

Zo kregen de nationale rechterlijke instanties, onder bepaalde voorwaarden, de bevoegdheid om de ondernemingen, die het mededingingsrecht geschonden hebben, of derden te gelasten het bewijsmateriaal over te leggen dat zij in hun bezit hebben. Deze bevoegdheid moet worden uitgeoefend rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel en met respect voor de vertrouwelijkheid van bepaalde informatie.

2.2. Bovendien betekent de definitieve beslissing van een nationale mededingingsautoriteit tot vaststelling van een inbreuk een onweerlegbaar bewijs in het land van de autoriteit van het bestaan van een inbreuk op het mededingingsrecht. De beslissing van de mededingingsautoriteit van een ander land kan dienen als prima facie bewijs van de overtreding.

2.3. De richtlijn voorziet regels met betrekking tot de verjaring, waarvan de termijn minstens 5 jaar zal zijn.

Deze termijn begint pas te lopen wanneer de inbreuk is beëindigd en waarbij het slachtoffer redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van de inbreuk, de schade die het heeft veroorzaakt en de identiteit van de inbreukplegende ondernemingen.

Het feit dat een procedure aanhangig is voor een nationale autoriteit is een voldoende reden voor de  schorsing van een verjaring. Dit geldt ook indien de consensuele geschillenprocedure wordt ingeleid door de partijen zoals ingevoerd werd door de richtlijn.

2.4. De richtlijn voorziet in een hoofdelijke aansprakelijkheid voor elk van de ondernemingen die het mededingingsrecht geschonden heeft door een gezamenlijk gedrag. Zij zijn dus elkeen gehouden om de schade in zijn integraliteit te vergoeden.

2.5. Tot slot erkent de richtlijn het recht op schadevergoeding voor iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, ongeacht of deze rechtstreeks of onrechtstreeks een koper is van de inbreukpleger.

De richtlijn voorziet echter ook maatregelen die eerder naar de bedrijven toe georiënteerd zijn. Het bedrijf dat in strijd is met het mededingingsrecht is immers niet verplicht om zijn koper direct schadeloos te stellen voor het verlies indien hij kan aantonen dat de koper alles of een deel van de extra kosten ten gevolge van de overtreding heeft doorgerekend aan zijn eigen klanten. Er bestaat ook, onder bepaalde voorwaarden, een weerlegbaar vermoeden, voor de overtredende bedrijven ten opzichte van onrechtstreekse afnemers afhankelijk van de gevolgen van de meerkosten.

3.    Besluit

Het auditoraat heeft een eerste transactiebesluit uitgebracht in een zaak waarin een groot aantal grote bedrijven in de sector van de detailhandel van parfumerie- en hygiëneproducten betrokken zijn.

De boetes zijn hoog, hoewel we ze niet kunnen vergelijken met de voordelen die gegenereerd werden door het plegen van dergelijke praktijken.

De vraag is nog of deze procedure inzake transactie met een clementieprogramma voor bedrijven die de misdrijven aangeven, wel met zich zal meebrengen dat andere misdrijven worden ontdekt. Alleen de tijd zal ons leren of deze procedure zal voldoen aan het verwachte succes ofwel of de besproken beslissing eerder een geïsoleerde beslissing zal blijven.

De Richtlijn van 2014 biedt voordelen aan de slachtoffers van dergelijke praktijken, ongeacht of ze consument, onderneming of overheid zijn, en kent hen vele rechten toe.

België heeft tot ten laatste 27 december 2016 om de Richtlijn om te zetten naar Belgisch recht.

27 juli 2015

Mathieu Maniet - mathieu.maniet@peeters-law.be
Leo Peeters - leo.peeters@peeters-law.be

Leer meer over dit onderwerp : schrijf in op onze nieuwsbrief!

E-mail *


   
  De earn-out clausule in een overnameovereenkomst van aandelen  
  KMOís beter geÔnformeerd in verband met het Belgische mededingingsrecht  
  Verrekenprijzen (Transfer Pricing) - Bijkomende rapporteringsverplichting  
  Rechtsplegingsvergoedingen in Intellectuele Eigendomsgeschillen op de helling  
  Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) - belangrijke wijzigingen  
  Een nieuwe rol voor cijferberoepen in verband met bedrijven in moeilijkheden  
  IP inbreuken door een derde gebruiker van een WiFi-netwerk: draagt de aanbieder van het netwerk verantwoordelijkheid?  
  Nieuwe procedure voor de invordering van onbetwiste facturen bij B2B  
  Roadbook voor fusies en overnames in BelgiŽ (deel 1)  
  Roadbook voor fusies en overnames in BelgiŽ (deel 2)  
  Dynamische IP adressen kunnen persoonsgegevens zijn  
  Meldingsplicht bij inbreuken in verband met de persoonsgegevens  
  De functionaris voor gegevensbescherming of data protection officer (DPO)  
  Gebruik van camerabeelden als bewijsmiddel  
  Hoe kan het recht om vergeten te worden in de praktijk worden omgezet?  
  Beslag leggen op buitenlandse bankrekeningen wordt gemakkelijker  
  De re-integratie van langdurig zieken : re-integratie in de onderneming  
  Crowdfunding - Update  
  De wet "Werkbaar en Wendbaar Werk"